Wijn maken
Schonen van druiven
De blauwe druiven worden eerst geselecteerd; slechte druiven eruit gehaald, de trossen gewogen en in de kneuzer/ontsteler gedaan. De steeltjes worden verwijderd voor een betere smaak van de wijn.
Als zo’n bak na het onstelen vol is, plaats je een nieuwe opvangbak en dan heb je de eerste pulp van sap,schil en pitten. Als zo alle druiven gedaan zijn, wordt de most ‘gewogen’-op suiker en zuur.
Gisting
Er wordt een minimaal benodigde hoeveelheid sulfiet toegevoegd om bederf tegen te gaan en de wijn langer houdbaar te maken. De most wordt zo snel mogelijk aan het gisten gebracht. Iedere dag roer je de pulp om en na een week is er al ca. 10 procent alcohol gevormd.
Uitpersen
Dan wordt de pulp uitgeperst. Hiervoor gebruik ik een pers, die werkt op waterdruk waarmee ca. 65 % sap wordt uitgeperst (zie foto). Je kunt dan nog wel doorgaan, maar de kwaliteit wordt daar niet beter van.
De witte druiven volgen hetzelfde procédé, met dit verschil dat ze na een halve of hele dag worden uitgeperst en dan pas aan het gisten worden gebracht. Soms worden ze ook nog “voorgeklaard”; dan laat je het perssap bezinken en hevel je het onderste bezinksel eruit. Hierdoor wordt de wijn zuiverder.
Gisting in vat of fles
Hierna gaan de wijnen in vaten of grote gistingsflessen en hevel je ze soms al na 3 weken over als ze wat bezinken. Rondo wordt nog gerijpt op Frans eiken vaten voordat ze gebotteld worden. Regent wordt behandeld met de eiken-chips methode, zodat de wijn zachter wordt.

